Onze club gaat nooit verloren

Nederland = verenigingenland. Vanaf 1900 schoten ze als paddenstoelen uit de grond. Je stond nu eenmaal sterker als er een organisatie achter stond. Gezondheidszorg, armoedebestrijding, woningbouw, werkverschaffing, politiek – alles werd aanvankelijk via verenigingen geregeld. Ontspanning werd geleidelijk aan belangrijker, maar dan wel met een idealistisch sausje erover. Dus voetballen, wandelen, zingen of muziek maken onder socialistisch vaandel, katholiek kazuifel of protestantse vlag.

Verschillende facetten van het verenigingsleven komen in dit fotoboek aan de orde: de oprichting en de genoemde verzuiling, maar ook het innen van contributie, het vergaderen over van alles en nog wat, het zingen van een verenigingslid en het aanmeten van de juiste clubkleding.

In Holland staat een huis

Afwassen, koken, schoonmaken… we houden er van of we vinden het vreselijk. Dat was honderd jaar geleden niet anders. In die tijd kwam de huisvrouw op, met speciale verenigingen, een huishoudschool en boeken als Zo moet ik huishouden. Een goede huisvrouw werkte keihard; zij was zuinig, vlijtig en trots op haar werk. Tot zij er in de jaren ’60 genoeg van had. Er waren inmiddels zoveel huishoudelijke apparaten op de markt dat het huishouden steeds minder tijd kostte. Tijd over dus om buiten de deur te werken. En dat huishouden? Dat bleef wel, maar kreeg wel een andere rol toebedeeld. Prachtige foto’s uit het Spaarnestad Fotoarchief tonen in dit rijke fotoboek deze ontwikkelingen. Van bleekvelden via overvolle wastobbes naar mangelpersen en energiezuinige centrifuges.

Door het land van de Sultan

Carel Quina (1622-1689) was een rijke koopman uit Amsterdam, die in 1668 vertrok naar het Heilige Land. Zijn relaas is een van de zeldzame zeventiende-eeuwse Nederlandstalige pelgrimsverslagen van een reis naar Jeruzalem. Het biedt een unieke blik op het reizen in de Gouden Eeuw, vooral omdat Quina niet voor de gebaande paden koos. Terwijl de meeste pelgrims over land naar Venetie reisden en daar de boot namen, reisde hij langs de Donau door tot aan het Ottomaanse Rijk. In een onderhoudend verslag verhaalt Quina over de tocht die hij vervolgens te paard dwars door Turkije maakte.

Quina reisde als gelovige calvinist, maar ook als toerist. Van zijn reis nam hij souvenirs mee naar huis, onder andere een houten maquette van de Heilig Grafkerk. Afbeeldingen van dit museumobject alsmede schilderijen en prenten uit zijn nalatenschap completeren dit unieke reisverslag uit de zeventiende eeuw.

Militairen op de Veluwe

De Veluwe werd na 1850 ontdekt als perfecte locatie voor militaire doeleinden, als oefenterrein en als opslagplaats. De militaire aanwezigheid nam vervolgens almaar toe, met als hoogtepunt de bouw van diverse grote kazernes na de Tweede Wereldoorlog. Duizenden jongemannen vervulden er hun dienstplicht. Dit veranderde toen de krijgsmacht vanaf 1990 inkromp, de dienstplicht werd opgeschort en steeds meer kazernes hun deuren sloten. Veel militairen vertrokken, oefenterrein werd natuurgebied en kazernes kregen andere bestemmingen. Wat dit alles voor de Veluwe en haar bewoners betekende, komt aan bod in bijdragen van diverse specialisten.

Opdrachtgever: Redactie Historische Publicaties van de provincie Gelderland

Cornelis Haga (1578-1654)

Cornelis Haga was grondlegger van de diplomatieke, culturele en handelsbetrekkingen tussen Nederland en Turkije. In 1612 werd deze in Schiedam geboren regentenzoon de eerste ambassadeur in Istanbul, het hart van het Ottomaanse Rijk. Hij stichtte er consulaten en bewerkstelligde de vrijlating van christenslaven. Ook betekende het bondgenootschap met Turkije een belangrijk wapen tegen Spanje.

Haga, beroepsdiplomaat van het eerste uur, was een internationale beroemdheid. Als gezant in Zweden zorgde hij ervoor dat een conflict met de Nederlanden tot een oplossing werd gebracht. Daarnaast verkeerde de jurist Haga als president van de Hoge Raad in de omgeving van stadhouder Frederik Hendrik.

Dankzij wegbereiders als Cornelis Haga kon Nederland in de zeventiende eeuw uitgroeien tot een van de machtigste handelsnaties ter wereld. Deze biografie geldt als aanvulling op de geschiedschrijving van de Gouden Eeuw.

Ondersteuning in voor- en tegenspoed

Een aantal vooraanstaande heren uit Doesburg richtte in 1759 de Weduwenbeurs op. Vanaf dat moment konden telkens honderd mannen lid worden. Zij betaalden contributie en als zij stierven, ontving hun weduwe een uitkeren. Deze manier van verzekeren was in de achttiende eeuw zeer geliefd; overal in het land ontstonden vergelijkbare beurzen. Ze beleefden een onstuimige opkomst en vaak ook een snelle ondergang.

De Weduwenbeurs uit Doesburg bestaat echter nog steeds en is daarmee een van de oudste nog bestaande levensverzekeringen van het land.

Het heeft de Weduwenbeurs in de ruim 250 jaar van haar bestaan niet aan tegenslagen ontbroken. Financieel was het in de loop der eeuwen regelmatig spannend of het fonds kon overleven. Ook op het administratieve en juridische vlak waren er hindernissen te nemen. Een flinke portie geluk, grote lokale betrokkenheid en standvastigheid van de bestuurders zorgden ervoor dat het fonds bleef bestaan.

Het boek beschrijft de onstuimige historie van dit bijzondere cultureel erfgoed en is daarmee de eerste grondige studie naar de geschiedenis van een weduwenfonds in Nederland.

Opdrachtgever: Weduwenbeurs Doesburg

Van wezen tot zijn

Het Weeshuis der Hervormden in Schiedam kende in zijn geschiedenis vele pieken, dalen en koerswijzigingen. Bij de oprichting van het Weeshuis in 1605 waren het de ‘schamele weeskinderen’ die in behoorlijke tucht, discipline en ‘vreese Gods’ opgevoed moesten worden. Zij kregen in de loop der eeuwen gezelschap van halfwezen, vondelingen, voogdijkinderen en verlaten kinderen. Niet dat de Weeshuisbestuurders zo veranderingsgezind waren, wel omdat zij telkens zochten naar nieuwe hulpverleningsvormen die pasten bij de tijdgeest.

Het Weeshuis der Hervormden verlegde in de twintigste eeuw de aandacht naar Kinderbeschermingskinderen, uitmondend in de nieuwe jeugdzorginstelling de Lindenhof. Professionalisering en democratisering stelden aan de organisatie andere eisen dan voorheen. Dit leidde in de jaren ’70 tot een splitsing: de Lindenhof als professionele instelling en het Weeshuis der Hervormden als fonds voor jeugdzorg.

Uit archieven en interviews met oud-bewoners wordt in Van wezen tot zijn de bijzondere geschiedenis van het Schiedamse Weeshuis en zijn nazaten gereconstrueerd.

Opdrachtgever: Weeshuis der Hervormden, Schiedam