Doorgeven. Het verhaal van een Gronings verzetsgezin

De familie Dijkema in Groningen zat tijdens de Tweede Wereldoorlog volop in het verzet. Oudste zoon Reint Dijkema (1920-1944) begon een eigen knokploeg samen met zijn jongere broers Piet en Klaas Simon. Deze KP Remco specialiseerde zich in overvallen van distributiekantoren. Een enkele maal moesten zij een liquidatie uitvoeren, die op de fanatieke NSB’er Anne Jannes Elsinga.

Andere leden van het gezin kwamen ook met het verzet in aanraking. Broer Albartus liep samen met Reint uit protest in 1942 met een Jodenster op de borst. Ze werden voor een aantal weken naar Kamp Amersfoort gestuurd. Ook de jongere kinderen brachten illegale blaadjes rond, en leefden noodgedwongen in een huis waar volop verzetsattributen als wapens en munitie voorhanden waren. Binnen het gezin stimuleerde hun moeder, weduwe Elske Catharina Dijkema-Riepma, de jongens in hun werk. Hoe dit voor iedereen tijdens de oorlogsjaren en in hun latere leven doorwerkte, komt in Doorgeven aan bod.

 

Verkrijgbaar via de boekhandel of via uitgeverij Profiel.

1001 Vrouwen

Op 14 februari 2013 verscheen het standaardwerk 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis onder redactie van Els Kloek. De dames waren ooit beroemd of berucht, nu zijn ze meestal zo goed als vergeten. Ten onrechte, want hun levensverhalen werpen nieuw licht op het verleden. Ingrid van der Vlis schreef een tiental van deze levensverhalen over dames die zich met armenzorg bezig hielden.

Ut semper sit in flore. Honderd jaar Gemeentelijk Gymnasium Hilversum, 1913-2013

De gemeenteraad had er aanvankelijk weinig vertrouwen in. Wat moest Hilversum met een Gymnasium? Er was al een HBS en de jongeren die een klassieke opleiding wilden volgen, konden best naar andere steden uitwijken. Omdat het aantal inwoners bleef groeien, kon Hilversum er in 1913 niet meer onderuit. Het Gemeentelijk Gymnasium verrees in een nieuw pand en bleek van begin af aan een succes. Bijna jaarlijks klopte het schoolbestuur bij de gemeente aan met de vraag om een nieuwe uitbreiding: meer vakken, meer docenten, meer lokalen en – uiteraard – meer leerlingen. De Mammoetwet in 1968 leek een roemloos einde aan het Gymnasium te maken. De school kwam de crisis echter te boven en bleek ook in latere jaren veerkrachtig genoeg om diverse veranderingen en vernieuwingen het hoofd te bieden. Opvallend genoeg bleek daarbij juist een deel van het eigen verleden voor het gewenste nieuwe élan te zorgen.

…Ut semper sit in flore. Honderd jaar Gemeentelijk Gymnasium Hilversum 1913-2013, verschenen bij Uitgeverij Verloren

Leven in armoede

Na haar studie Maatschappijgeschiedenis werkte Ingrid van der Vlis als a.i.o. aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Met veel plezier werkte zij daar aan haar proefschrift over armoede en armenzorg in het zeventiende-eeuwse Delft, mogelijk door de zeer rijke archieven van de Delftse Kamer van Charitate. Vooral de reconstructie van de levens van honderden arme gezinnen gaf veel voldoening. Wie waren zij? Wanneer ontvingen zij bedeling, en hoeveel kregen zij dan? En hoe gingen zij zelf om met de armenzorg?

Het lukte op deze manier om de bedeelden en hun gezinnen een stem te geven en om verder onderzoek naar de onderste regionen van de maatschappij mogelijk te maken. Het historisch onderzoek en het schrijven daarover smaakten naar meer. Ingrid van der Vlis besloot daarom na haar promotie verder te gaan op dit pad, met het door haar opgerichte Historisch Onderzoeksbureau Tijdelijk.

 

Verschenen bij uitgeverij Prometheus, uitverkocht en alleen nog tweedehands verkrijgbaar.

De Delftse Stationsbuurt

De Stationsbuurt in Delft bestaat niet meer. De wijk is afgebroken om de langverwachte ondertunneling van het spoor mogelijk te maken. De afbraak hing al lang in de lucht. Buurtbewoners stapten daarom in 2000 naar het gemeentearchief met de vraag of de geschiedenis van hun geliefde buurt opgetekend kon worden. Ingrid van der Vlis dook vervolgens het archief in en vond zeer veel materiaal over deze buurt die met recht “Delft in het klein” genoemd mag worden. Zeventiende-eeuwse stadsuitbreiding, luxe woningbouw en arbeiderswoningen, industrie en middenstand – alles kwam in de Stationsbuurt voor. Buurtparticipatie zorgde op deze wijze voor een mooi document over deze unieke wijk.

 

Uitgave van gemeentearchief Delft. Uitverkocht, alleen nog tweedehands verkrijgbaar.

Poptahof

Poptahof was de eerste hoogbouwwijk van Delft. Acht enorme flatgebouwen die begin jaren ’60 in de weilanden verrezen. Met de 1000 woningen die daar gereed kwamen, zou de woningnood in één klap beteugeld kunnen worden. Daarbij had de woningbouwvereniging het idee dat leven in een flat vanzelf tot gemeenschapsgevoel zou leiden. Dat laatste bleek lastig. Gehorige woningen, kapotte verwarmingen, verstopte stortkokers… het waren kinderziektes die vooraf niet voorzien waren. Hoewel vele gezinnen met plezier in de Poptahof woonden, trokken er ook vele in de loop van de jaren ’70 en ’80 weer uit. De flats werden sindsdien wisselend bewoond door gastarbeiders, vluchtelingen en studenten. In 2006 startte een drastische renovatie, waarbij juist de flats bleven staan en de leefbaarheid op andere manieren terug gewonnen zou worden. Die flats vormen ook nu nog het hart van de vernieuwde Poptahof, nog steeds een buurt vol idealen.

Die Delfgaauwse Weye

In de jaren ’50 verrees in Delft een bijzondere wijk: met de eerste flat in de stad en volgens het principe ‘van de wieg tot het graf’. Die Delfgaauwse Weye had het allemaal: kinderopvang op de begane grond, bejaardenverzorging op de eerste twee verdiepingen, chique flatwoningen daarboven voor gezinnen en zowel een kleuterschool als mortuarium in de directe nabijheid. Ondanks vergrijzing van de bewoners en de toenemende overlast van rijksweg A13 bleef de wijk een bijzondere plek. Eigenaar Woonbron zag dit in en zette eind jaren ’90 in op een volledige herstructurering. Bij de oplevering van de vernieuwde wijk verscheen dit historische overzicht over de ontstaansgeschiedenis van Die Delfgaauwse Weye.

Opdrachtgever: Woonbron Delft

Weeshuizen in Nederland

Het Sint Elisabethsgasthuis in Utrecht was in 1491 het eerste weeshuis in Nederland. Een voorbeeld dat tussen 1550 en 1600 navolging vindt in bijna alle grote steden. Van al die tientallen weeshuizen is er nu echter geen enkele meer over. Wat is er met deze liefdadigheidsinstellingen gebeurd?

Weeshuizen in Nederland beschrijft de opkomst en evolutie van de wezenzorg in elf Nederlandse steden. Hieruit blijkt dat er grote overeenkomsten zijn, maar ook dat iedere stad de wezenzorg op een eigen manier aanpakte en anders reageerde op ingrijpende veranderingen als de eerste sociale wetgeving in 1854. Weeskinderen raakten vanaf dat moment steeds minder afhankelijk van de toevallige weldadigheid van goedgezinde stadsgenoten. Bovendien nam het aantal wezen snel af door de hogere overlevingskansen van hun ouders. Met de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 verviel definitief het bestaansrecht van het weeshuis. Toch functioneren vandaag de dag nog tal van stichtingen die zijn voortgekomen uit de weeshuizen van weleer.

Opdrachtgever: Burgerweeshuis Meppel

Geschreven i.s.m. Thijs Rinsema

Zuster Keizer, kunt u even komen?

De wijkverpleegkundige was lange tijd de vraagbaak voor jong en oud, en de steun en toeverlaat voor ieder die het nodig had. Kiet Keizer (geboren in 1925) begon haar opleiding in het Gemeenteziekenhuis van Schiedam, behaalde de benodigde aantekeningen en werkte vanaf 1960 als wijkverpleegkundige in Schiedam Oost. Als geen ander bekommerde zij zich om de haar toevertrouwde gezinnen. Zuster Keizer regelde alles, en iedereen kende Zuster Keizer. Haar smakelijke verhalen over deze verhalen ‘in de wijk’ staan bijeen in dit boek, in de serie Schiedamse vertellingen.

Een nieuwe koers!

Elspeet, Fredeshiem en Giethoorn – afgekort tot Elfregi. Dat waren de plaatsen waar de Doopsgezinde Jongens- en Meisjesclub Zaanstreek sinds 1929 naartoe op kamp gingen. Wat ze bij Elfregi deden? Fietsen, zingen, discussieren, wandelen en kamperen. Stuk voor stuk activiteiten die ook bij de toen zeer populaire padvinderij (scouting) plaatsvonden. Tijdens de oorlogsjaren groeide het verlangen bij deze club aan te sluiten. Veel doopsgezinde kerkgemeenten startten na 1945 een Elfregi padvinders- of padvindstersgroep, ook in Haarlem. De geschiedenis van deze groepen van de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente Haarlem komt in dit boek aan de orde. De groei van de verenigingen, maar ook de moeilijkheden in de jaren ’60 en het dreigende verval in de jaren ’70. Tot slot wordt de afnemende relatie met de kerk niet overgeslagen.

Opdrachtgever: Vereeniging Doopsgezinde Gemeente Haarlem, verschenen bij Uitgeverij Verloren.